Het logeerhuis- het vervolg

 

Wat was het leuk! Vol extase loop ik terug naar de auto, met een warme hand van Evan aan mijn zijde. Bij het idee dat hij hier vaker heen gaat voel ik een soort van verdriet, maar tegelijkertijd blijdschap. Blij voor hem. Dat hij een plek heeft waar hij het leuk heeft. Waar hij vriendjes kan opbouwen en zichzelf kan zijn. Vooral dat laatste valt mij de laatste tijd erg op. Hoe vaak bij buiten de boot valt, niet begrepen wordt. Wanneer hij gepest wordt maar zelf denkt dat hij vriendjes heeft. Het doet mij denken aan de keer dat we in een speeltuin waren en hij achter oudere jongens aan liep. Hij rende achter ze aan in de klimtoren om vervolgens steeds weggestuurd en uitgejoeld te worden. Hij vond het prachtig, zijn blije koppie en bezwete hoofd waren daar het bewijs van. De jongens in kwestie waren niet zo leuk, ze gaven hem een duw en scholden hem uit. Voor ik het wist stond ik in de klimtoren, klaar om uit te halen naar de grote-stoere-jongens. Ik hield mij op de achtergrond, tot het moment dat ze Evan op droegen om in een rubberen band te gaan zitten van (voor hem) een veel te harde glijbaan. Met een zware maar bedeesde stem kwam ik tevoorschijn en vroeg ik of ik iemand er af zou duwen. Kijken hoe leuk ze dat vonden. Bange en verontwaardigde gezichten keken mij aan, om vervolgens binnen een seconde weg te rennen en Evan alleen achter te laten. De blik in Evan zijn ogen sprak boekdelen. ‘Waarom mamma? Waar gaan mijn vriendjes heen?’. Het half uur daarop had ik een huilende Evan en het speeluurtje was voorbij.

 

 

 

We vervolgen onze weg naar huis. Ik kijk achterom en zie een vermoeid gezicht met rode wangen in het auto stoeltje zitten. Daarna kijk ik naar Linda en ik weet dat we hetzelfde denken. Dankbaarheid maar ook besef. Evan is echt anders, anders dan andere kinderen. Hierdoor zal zijn weg, en onze opvoeding, anders verlopen. Andere en misschien wel meer obstakels. Onbekende paden en daardoor veel onverwachtste momenten. Meer begeleiding en beseffen dat we ‘afwijken van normaal’. En hoe langer Evan bij ons is, begin ik mij steeds meer af te vragen wat normaal is. Wie bepaalt de norm, wie bepaalt wat normaal is. Met name onbegrip bepaalt het kader. Onbegrip waarom hij gaat schreeuwen als een kindje hard voorbij rent. Of als een ander kindje hard begint te huilen. Of als Evan voor de zoveelste keer repeterende geluiden maakt, of rondjes begint te draaien. Maar een rennend kind, die niet uit kijkt, en bij mij voorbij raast, doet mij ook doen stilstaan. Inwendig kan ik denken dat hij of zij uit moeten kijken. En als een kindje luidruchtig begint te huilen met een schel niveau, dan wil ik ook weg rennen. Maar ik kan het plaatsen in het kader van een kind. Een klein kindje kan gaan huilen, en kijkt vaak niet uit waar hij/zij loopt. De belevingswereld van het kind is gericht op zichzelf.  Maar moeten wij dat ook niet doen bij een kind met ASS? Plaatsen in het kader van ASS. En beseffen dat hij/zij dan snel overprikkeld is. Dat dit zijn belevingswereld is. Is het normaal dat wij hier geen rekening mee houden? Of is het onbegrip en onwetendheid over ASS wat maakt dat dát ab-normaal is.